| |
|
|
 |
GEDWONGEN IDENTITEIT
E.H.Ray Landveld
Als wij 300 jaren terug kijken naar de geschiedenis van Suriname dan kunnen wij
opmaken dat Suriname woelige tijden gekend heeft. Het waren tijden van kolonialisme,
slavenhandel en uitbuiting. De oorspronkelijke bewoners van Suriname (de Inheemsen)
werden te zwak bevonden voor het zware werk. Zij stierven te snel door allerlei
ziektes van de Europeanen. In Afrika waren sterkere zwarte mensen die capabel
en goedkoop waren om als slaaf te werken. Vanuit de westkust en omliggende
gebieden van Afrika hebben verschillende Afrikaanse stammen, onder leiding van
stamhoofden tegen betaling, hun eigen ras gevangen weten te nemen en als
handelswaar aan de witte overheersers verkocht. Waarschijnlijk uit roofzucht
of machtspositie werden families en gezinnen uit elkaar gerukt. De gevangen
genomen Afrikanen werden verscheept naar de nieuwe wereld. Goed uitziende
jongemannen werden meegevoerd. Deze jongemannen namen de plaats in van de
zwak geworden gevangenen die meestal ter plekke stierven. In de nieuwe wereld
zullen zij als slaaf te werk worden gesteld. Maar de slavernij begon al op de
overvol geladen schepen van de MCC (Middelburgse Commercie Compagnie). Deze
compagnie specialiseerde zich in de slavenhandel. Zij bezat 43 schepen en was
hiermee de grootste Nederlandse slavenhaler in de 18e eeuw. De MCC maakte ongeveer
110 slavenreizen naar Suriname en 80% van de Afrikanen kwam levend op de
eindbestemming aan. Een reis naar Suriname duurde ongeveer zes maanden. Men ging
eerst van kust tot kust om slaven op te kopen. Er werden jaarlijks 8000 nieuwe
slaven aangevoerd omdat het sterftecijfer onder de slaven hoog lag. Maar de slaven
die opgekocht werden, kwamen niet in de boeken van de Staat der Nederlander te staan.
Zo verzuimden de slavenmeesters hun belastinggeld af te dragen en stopten ze het geld
in hun eigen zakken of kochten er nieuwe slaven voor. De schepen werden zo geladen dat
de benauwdheid van de ruimte niet te omschrijven was. De hitte in het schip was zo
verschrikkelijk dat er verstikking plaats vond. Er braken ziektes uit onder de slaven
en velen stierven. De toestand was nog ondraaglijker door de zware kettingen waaraan
de slaven waren geslagen en door de angst om te sterven. Gillende vrouwen die het
gekreun van de stervenden niet konden aanhoren, trachtten zelf een eind te maken
aan hun eigen leven. Aangekomen in de nieuwe wereld was het niet bekend welk lot de
tot slaaf gemaakte Afrikanen te wachten stond. Er braken heel wat ongeregeldheden uit
op de plantages. Vluchtpogingen werden ondernomen en er ontstonden kleine rellen. Een
confrontatie tussen slavenmeester en een (echt)paar kon heel hoog oplopen. Vele
vrouwen
werden slachtoffer van verkrachting door hun witte overheerser. Mannen moesten
lijdelijk toezien hoe een opzichter zich liet vermaken door hun vrouwen. Er mocht
geen slavenverzet gepleegd worden naar aanleiding van de ongewenste intimiteiten
van slavenmeester met de slavinnen. De vrouw mocht haar meester niet weigeren, ze
moest de slavenmeester in alle opzichten welwillend zijn, wil zij haar man niet in
stukken geslagen zien worden. Deze onwaardige behandeling heeft hen dikwijls tot de
gewelddadigste wanhoop vervoerd.
Er werden kinderen geboren uit een tot slaaf gemaakte Afrikaanse moeder en een
koloniale slavenmeester. Het ontstaan van de creool was een feit. Deze creolen waren
lichter van kleur en werden beschouwd als superieur aan de zwarte Afrikaan. Voor hen
waren de betere banen weggelegd. Meestal kwamen zij niet op de plantages te werken
maar deden werk als stadsslaven. Het was een zevendaagse werkweek, elke slaaf moest
van zondag tot en met zaterdag werk verrichten. Om op de been te blijven kregen zij
voedsel bestaande uit zwaar verteerbare meelachtige vruchten of bananen, aardvruchten,
wortels en knollen. Dit gecombineerd met gezouten vis, peper en wat groente. Er was
nauwelijks tijd voor samenzijn totdat de koloniale overheid enkele wetten opstelde.
In 1783 werd een verbod ingevoerd dat de slaven niet op zondag mochten werken. Behalve
in buitengewone omstandigheden zoals bij een brand of watersnood. Zondag was een
christelijke rustdag waarop ook de slaven een vrije dag hadden. Op zondag mochten
zij rust houden om nieuwe krachten op te doen. In de praktijk werd op zondag echter
vaak gewoon gewerkt.
De slaven ondervonden moeilijkheden bij het opvoeden van hun kinderen. Een van de
problemen was dat de ouders een zware taak hadden naast hun werkzaamheden als slaaf.
Zij moesten hun kinderen er op voorbereiden dat ook zij de wreedheid van de zweep van
de opziener niet zouden ontlopen. Kinderen onder de twaalf jaar mochten niet zoals hun
ouders de hele dag op het veld werken. Deze kinderen bleven bij de kindermeisjes die
hen moesten opvoeden zodat zij tot volgroeide en gezonde kracht op hun twaalfde
levensjaar konden deel nemen aan het werk op de velden. Slaven werden nl. op hun
twaalfde verjaardag volwassen. Sommigen konden in huis worden opgenomen en konden
tot de huishoudelijke staf behoren. In tegenstelling met hun lotgenoten op het land
maakten zij veel langere dagen en zij waren rechtstreeks blootgesteld aan de grillen
van hun meesters. De huishoudelijke slavin, getrouwd of niet, kon eerder verkracht
worden door haar meester of diens zoons. Maar de meeste slaveneigenaars wisten maar
al te goed dat het misbruik maken van slavinnen tot moeilijkheden kan leiden. Een
sexuele relatie met zwarte vrouwen moest voorkomen worden. Aan de andere kant
zochten witte vrouwen vaak knappe, stevige goed geschapen zwarte mannen op voor
een relatie. Een hechte relatie. Een dergelijke zwarte man genoot enigszins van
een bevoorrechte positie zonder dat de meester het wist.
Vanuit diverse plantages werden plannen beraamd voor een vluchtpoging om in
vrijheid in de bossen verder te leven. De slaven pikten de harde behandeling
niet en verschansten zich op ontoegankelijke plekken achter de plantages. Dit
ging niet ongemoeid. Vanaf het moment dat de Afrikanen als slaven naar de
Amerika’s zijn gebracht, werden pogingen ondernomen om niet aan slavernij deel
te nemen. De Afrikaan was liever dood dan slaaf. Vanuit de plantages trokken
zij niet geleidelijk het oerwoud in. Eerst een voor een, wat de kleine marronage
genoemd wordt. Sommige weggelopen slaven bleven jaren lang in het oerwoud leven,
anderen keerden slechts binnen enkele dagen terug naar de plantage. Naast de
kleine marronage was er ook de grote. De slaven trokken massaal het oerwoud in
waar zij gemeenschappen vestigden. De ontsnapte slaven werden Marrons genoemd,
afgeleid van het Spaanse woord cimarron. Hiermee werd aangeduid dat het vee
weggelopen is. Deze zelfde benaming werd gebruikt voor de gevluchte slaven.
De witte overheerser pikte het niet dat zijn slaven de benen
namen. Ondanks alle ontberingen stichtten zij dorpen die goed geordend waren. Op
gegeven ogenblik waren er heel veel slaven weggelopen waardoor de overheid genoodzaakt
was wetten te maken die het mogelijk maakten om weggelopen slaven met de doodstraf te
bestraffen. Vergeefs werden jaren lang militaire patrouilles uitgezonden om de
gevluchte slaven te vangen en te bestraffen. De Marrons schrokken voor niets terug:
zij bevochten hele regimenten soldaten. Deze soldaten slaagden er niet in in het
diepe oerwoud de slaven uit te roeien. De Marrons waren zelf veelal in de aanval.
In 1730 werd een weggelopen slaaf terecht gesteld nadat hij gevangen werd genomen
door het Korps Zwarte Jagers meer bekend als De Redimusus. Hierdoor begon er een
wrijving tussen de stadsslaven en de Marrons. De niet vrijgevochten slaaf trad (meestal)
onder dwang in dienst van de overheersers om op zoek te gaan naar zijn Afrikaanse medemens.
Hij moest hem gevangen nemen en zelfs vermoorden. De Marrons lieten zich niet zomaar
te pakken nemen. Er werd hevige strijd geleverd in het oerwoud dat inmiddels hun woon-
en leefgebied werd. De vrijgevochten slaven voelden zich superieur aan de stadslaven
en creolen die niets deden om in vrijheid te komen. Hun onderdrukte stadsbroeders
bestempelde hen als lafaards.
In de bossen hadden zich tal van Marrongemeenschappen gevormd, door hergroepering.
Er ontstonden zes Marron stammen. Alukus, Aucaners, Kwinti, Matuwariers, Paramaccaners
en Saramaccaners. Deze stammen hebben zich ontwikkeld door strijd en door drang tot
overleven. In 1760 werd een vredesverdrag getekend en bekrachtigd door de koloniale
overheid en de Marrons o.l.v. zestien kapiteins. In september 1762 werd het verdrag
met de Saramaccaners getekend. Het vredesverdrag regelde onder andere de beëindiging
van de vijandelijkheden tussen de Marrons en koloniale overheersers. En tevens de
vrijheid en erkenning van de Marrons. De Marrons voelen zich een uitzonderlijke en
afzonderlijke bevolkingsgroep. Zij zijn strijdbaar en vrijheidlievend.
Haast alle verslagen over de Afrikaanse slavenhandel zijn door de handelaren zelf
geschreven, waardoor de andere kant van de medaille niet belicht werd. Daar kwam
verandering in. De in 1745 te Biafra geboren Olaudah Equiano bracht opheldering.
Hij was zoon van een rijke vader die behoorde tot de Ibo-stam die zelf slaven bezat.
Op 10 jarige leeftijd werd hij door slavendrijvers gevangen genomen. Zijn Afrikaanse
naam werd na zijn doop gewijzigd in Gustavus Vassa. Jaren bleef Vassa als zeeman op
een slavenschip werken. Dagelijks had hij heimwee naar zijn geboorte plaats. Het
verlangen terug te keren naar zijn vaderland bleef groeien. Maar hij begreep dat
hij geen enkele kans meer had om terug te keren. Zijn geld wat hij verdiende spaarde
hij al die jaren. En op 21 jarige leeftijd kocht hij zijn vrijheid op. Tot zijn
dood in 1797 was hij ook een van de voornaamste tegenstanders van de slavenhandel.
Andere tegenstanders van de slavernij in Nederland, Suriname en ronddom het Caraïbisch
gebied wezen op de wrede behandeling van slaven en bepleitten afschaffing van de
slavernij. De slaven kregen te horen dat zij als vrije mens verder zouden leven,
maar niet iedereen begreep waarover het ging. Vandaar dat gouverneur van Landsberge de
emancipatie van 8 augustus 1862 op 3 oktober 1862 in Suriname afkondigde. Dit werd in
de Surinaamse taal vertaald, maar de slaven waren niet onder de indruk. Een dergelijke
afkondiging werd niet met uitbundige vreugde gevierd. De slaven zouden nog tien jaren
werk doen als vrije slaaf, om op die manier hun emancipatie te betalen. Ze zouden met
de plantages worden onteigend en de plantage-eigenanaren kregen schadeloosstelling.
Nadat Groot-Brittannië in 1834 de slavernij afschafte, volgde enkele jaren daarna
Frankrijk. En in Nederland werd gepleit om de slavernij ook stop te zetten. Er werd
een regeringsvoorstel gedaan in 1851 en deze aan de Tweede Kamer aangeboden voor
emancipatie. Het voorstel kreeg zoveel kritiek waardoor de minister het terug nam.
Twee jaren later werd een staatscommissie ingesteld om het vraagstuk te bestuderen.
En weer twee jaren later kwam het rapport gereed. Vele strijders zetten zich in voor
de afschaffing. Mannen zoals van Hoevell, J. Wolbers, W. Baron.
Wolbers schreef in 1862 een boek over de geschiedenis van Suriname met betrekking
tot de afschaffing van de slavernij. Hierdoor lieten steeds meer verzetstrijders in
Nederland van zich horen, de roep om de slavernij af te schaffen werd steeds luider.
Op 1 juli 1863 om zes uur ’s morgens werd met 21 kanonschoten de emancipatie
aangekondigd. Vele slaven die gevlucht waren keerden terug om met achtergebleven
familie de emancipatie te vieren. En Nederland heeft eindelijk de smet van de
slavernij uit haar midden weggedaan. De vloek van de slavernij in de Nederlandse
kolonie is opgeheven. Wij verwachten dat de Nederlandse regering en de
volksvertegenwoordigers de handen ineen zullen slaan om de afschaffing van de
slavernij een daad van recht- vaardigheid, waarover zelfs in de hemel vreugde
zal zijn, spoedig tot stand te brengen, aldus Wolbers.
Ga naar boven
|
|
|
|